Aankondiging: workshop close reading met de schrijver

18 september 2022

 

Een workshop close reading bij de schrijver thuis, die ook nog eens lekker kookt. 

Hoe lees je een roman? Waar let je op? Hoe ga je om met de al dan niet misleidende bakens die de schrijver in het boek heeft uitgezet? En hoe zwaar weegt de bedoeling van de schrijver eigenlijk, als die al duidelijk is?

Met andere mensen over een boek praten maakt vaak veel los. Niemand heeft precies hetzelfde boek gelezen – sterker nog, bij herlezing is het wéér een ander boek, en aan dat proces komt geen einde. Toch draait het niet allemaal in een cirkeltje rond: er vindt wel degelijk verdieping plaats, het proces kan dus beter worden vergeleken met een spiraal. De relatieve eensgezindheid die een groep lezers al discussiërend kan bereiken, is dan weliswaar geen absolute waarheid, maar wel degelijk een stevige nieuwe trede van de wenteltrap omhoog (of omlaag, in termen van verdieping).

De schrijver kan daarbij helpen. Niet als bezitter van die hypothetische absolute waarheid, maar gewoon als goede lezer (zij het dan niet de beste, want dat schijnt de vertaler te zijn). Vandaar dat ik dit avontuur wil aangaan, na inmiddels vier jaar lang workshops literair vertalen bij mij aan huis (in Autun, Bourgogne) te hebben georganiseerd. Van 25 t/m 27 juli 2023 geef ik, opnieuw aan huis, een eerste driedaagse workshop close reading met Ramkoers als oefenstof. Inclusief bescheiden culinaire omlijsting (lekkere zelfgemaakte lunch met een glas wijn). De discussie zal worden afgewisseld met beeldmateriaal (o.a. een film van Wes Anderson) en met een bezoekje aan wat plaatsen die in de roman worden beschreven.

Voorlopig lijstje van gespreksonderwerpen:

  • rol van het motto
  • thema's en motieven
  • opbouw
  • stijl
  • vertelperspectief
  • verhouding tot de werkelijkheid
  • dwarsverbanden met andere kunstvormen
  • invloeden?

De deelnemers krijgen ruim van tevoren een lijst met vragen opgestuurd aan de hand waarvan ze zich kunnen voorbereiden.

Meer informatie over mijn workshops is te vinden op www.tovertaal.nl. U kunt zich hier inschrijven (€ 395 voor drie dagen inclusief lunch, exclusief vervoer en overnachting).

 

‘Een eerste roman is een persoonlijke literatuurgeschiedenis.’ – Charles Dantzig

 

Lezerspost

7 september 2022

 

Een van de meest uitgesproken en oorspronkelijke geesten in vertalersland, Nijhoffprijswinnaar en Poesjkin-(Poetin-) medailleweigeraar Hans Boland, stuurde me dit voorjaar via onze gemeenschappelijke uitgever onverwacht een prachtige brief over Ramkoers. Ik plaats die hier met zijn toestemming. 

Bellingwolde, 19 april 2022

Ha Martin,

We hebben elkaar volgens mij twee of drie keer ontmoet, onder andere bij de VertalersVakschool. Maar ik herken je niet echt van de foto, net als jij – of jouw Jasper – heb ik geen visueel geheugen. Vier van je Houellebecqvertalingen heb ik gelezen, en ik vond De kaart en het gebied inderdaad het beste, alweer net als Jasper of in dit geval geloof ik de ‘Ik’ (die misschien de dame is? ik begreep het niet helemaal, als het zo is vond ik het een beetje erg bedacht, maar dat is slakkenzout). Sérotonine vond ik heel komisch maar ook wel kinderachtig, net zo als ik Portnoy’s complaint, dat ik onlangs voor het eerst van mijn leven las, bepaald goed geschreven maar bepaald ook kinderachtig vond. Vergeef het de oude lul die ik langzamerhand ben. (Philip Roth vind ik trouwens net geen tweederangs schrijver maar ook beslist geen topper, in tegenstelling tot Joseph.) Tommy Wieringa leerde ik kennen omdat ik hem had gevraagd voor de presentatie van Poesjkins fictieproza. We hadden afgesproken bij het Lieverdje en hij wou eerst even bij Athenaeum binnen omdat Sérotonine net was verschenen. Toen hij hoorde dat ik nog niks van H. had gelezen gaf hij me geloof ik tegelijk alles wat ze van hem in huis hadden.

Maar ik wou het niet over Houellebecq hebben. Ik heb je Ramkoers gelezen. Gefeliciteerd! Het is een goed boek, een erg goed boek zelfs, vind ik maar wie ben ik. Het heeft heel onnadrukkelijk al die lagen die moderne boeken heel nadrukkelijk hebben: wisseling van point de vue, plaats en tijd en weet ik wat niet al, zonder dat de liefde bijvoorbeeld parallel loopt aan het verhaalthema en het verhaalthema aan de wereldvisie enz., zoals dat bij jou het geval is. Ik wil het niet vergelijken met de Divina Comedia, maar het is knap dat je Jaspers liefde zo terloops tot de kern van het boek maakt: al vergaat de wereld, juist dan, een normaal goed mens wordt gedreven door de liefde. Heerlijk, na die dozijnen boeken waar de geliefden inhakken op elkaar, vaders worden veracht en moeders gehaat, kortom de lezer in dezelfde stront wordt geduwd als waarin de schrijver zich wentelt.

Ik vergelijk het – helaas, misschien – automatisch met andere Nederlandse literatuur die ik de afgelopen tijd heb gelezen: Buwalda van wie ik er één heb uitgelezen maar de tweede halverwege heb weggelegd omdat de weerzin definitief omsloeg in verveling, Pfeijffer van wie ik er al twee had vermeesterd maar die me nog steeds niet bijzonder kon boeien, Marieke L.R. van wie Komrij zou hebben kunnen zeggen ‘Het deed me ergens aan denken, aan wie o wie toch, o, opeens wist ik het: ik had het zelf geschreven toen ik veertien was’, Wiener die dood maar gewoon goed was en is, Hermans die ik op zijn grote drie na (NMS, DDKVD, DTDA) altijd tamelijk onderdemaats heb gevonden voor zo’n groot schrijver. De enige die ik me echt aansprak en die ik pas recentelijk heb leren kennen was Yvonne van der Meer, al is het maar omdat zij (in haar korte verhalen en in De vindeling. dwz de dingen die ik van haar las ) geen pretentie bazuint, net als jij (en misschien ook omdat het een vrouwelijke auteur is, wat op zich al bijna verworden is tot een garantie voor leuterarij, maar duid me mijn mogelijk vermeende seksisme niet serieus euvel). Je doorstaat de vergelijking met glans. Je grote stilistische voorbeeld lijkt me Gerard R., die ik persoonlijk net zo’n charlatan vind als zijn geleerde broer: geen eersterangs cabaretiers en al helemaal geen Schrijvers. Jouw stijl is dan ook niet van het bij mij favoriete soort, maar in principe maakt me dat niet uit, Thomas Mann is voor mij als stilist de absolute nummer één (na Poesjkin, al zal dat wel een beroepsafwijking zijn), maar Tolstoi en Dostojevski heb ik innig lief terwijl het qua stilisten idioten zijn. Van de Grote Drie waarin ons land klein kan zijn heb – of had, ik heb al bijna mijn hele leven niets meer van hem gelezen – ik nu eenmaal het meest met Mulisch. Tja, Jasper niet, maar die is fotograaf.

Ook heb je duidelijk geen moeite met het postmodernisme, als tenminste de fragmenten over de routekaarten en de filmcamera’s, die nitwits als ik overslaan, daartoe behoren. Ik ben er geen fan van maar in Ramkoers vond ik het wel vermakelijk en in geen geval irritant. Je eetscènes vond ik zelfs een verademing na al die kookboeken waar zoveel moderne romans in verzuipen (met Herman Koch misschien als hoogtedieptepunt, maar dat is dan ook de allerslechtste schrijver van mijn generatie).

Dat je zeldzaam goed schrijft – hoewel misschien in feite niet beter dan iemand zou behoren te schrijven – had ik als vanzelfsprekend aangenomen, je bent tenslotte vertaler. Maar dat je ook een echte romancier bent was een totale verrassing. Bravo, jongen! En dank.

Het is een spannend boek waarin nauwelijks iets spannends gebeurt, die moord is als zodanig zelfs ongeveer het onspannendste, en dat is heel knap gedaan naar mijn bescheiden maar onfeilbare mening. (Behalve de kaart- en de camerabeschrijvingen heb ik geen woord overgeslagen en als ik, naar gewoonte, om 2 of 3 of 4 uur in de nacht wakker werd las ik weer een hoofdstukje.) Ook knap is dat je het banale en talloze malen gebruikte thema van een apocalyps in een volstrekt fris jasje hebt gestoken. De pseudo-nonchalante psychologische analyse van een mensheid die, hoe nabijer de Dood komt, heftiger doet of haar neus bloedt vond ik even vermakelijk als diepzinnig. (Die ene alinea op pag. 342, die begint met ‘Er lijkt’, vind ik absoluut overbodig, veel overbodiger – veel wezenlijker overbodig – dan dat gemiereneuk over wegnummers en cameradetails.)

Ramkoers is hoe dan ook een verademing omdat het doet alsof er geen me-too en tot slaaf gemaakten en lghbtuiq en bozigheid en schrijnende platheid en ministers-president Prutje zijn, maar zijn eigen weg gaat.

De rest van de brief mag je overslaan, maar nu ik toch bezig ben. Want ik ben natuurlijk zelf ook nog altijd bezig. Als vertaler met Joeri Felsen, de zogenaamde Russische Proust, die in Auschwitz eindigde toen hij pas bij deel 4 was en van wie sindsdien tot voor kort niets meer werd vernomen. Hij haalt het helaas niet bij Proust, aan wie ik drie keer was begonnen voor hij bij de vierde keer bij me naar binnen gleed als een bak kwark met honing. Daarna heb ik hem nog een keer in verrukking gelezen, maar toen ik me er voor de derde keer aan vergreep was de toverij over en vond ik het, ondanks de taalflow (ik lees Franse boeken in het origineel, alleen Madame Bovary heb ik in het Engels gelezen), zóóó burgerlijk allemaal, niet zozeer mevrouw Guermantes en al die troela’s & troelo’s, die beschreven door een valse nicht à la Proust nog wel grappig zijn (alhoewel niet voor de derde keer) maar door dat ingewikkelde en toch simplistische gedoe met zijn Albertine en al die andere geile jongetjes, die bourgeoisjaloezie en bourgeoisverliefdheid en bourgeoisweemoed is niks voor mij, een boer en ook nog een Javaan in ziel en temperament. À propos, Europese Joden, las ik onlangs ik weet niet meer waar, plachten in burgerlijkheid hun arische medemens te overtroeven, in betere tijden.

Als oorspronkelijk pennelikker ben ik nu al jaren bezig aan een roman onder de titel Amor Triomfator, wat al genoeg zegt over de verwachte onpublicabiliteit ervan. Dat dondert mij niet, want ik ben geen schrijver. Dat is een van de dingen die ik voor de zoveelste begreep dankzij jouw Ramkoers. Jij schrijft, ik leef. Natuurlijk leef jij ook en schrijf ik ook. Maar voor mij is schrijven een van de vele facetten van het leven, op het moment cultive ik mijn jardin in Bellingwolde als belangrijkste bezigheid, en niet omdat ik het einde nader, want er waren eerdere periodes, gelukkig, dat ik me daaraan bezondigde.

Daarnaast ben ik niet alleen een diehard romanticus à la Russe, dit in flagrante tegenstelling tot Jasper de Haan, maar ook een tropenjoch dat groots en meeslepend heeft geleefd en in zijn nieuwe boek beweert dat God de Hollander uit kikkerdril boetseerde en Allah de Javaan uit lavagruis. Vanmiddag zag ik bij ‘Buitenhof’ een interview met de Oekraïense schrijver André Koerkov, en ik dacht o, dacht ik, o, dat daar mijn koning sprak. Ik háát Prutje, in essentie niet minder dan la putain Putler, jij ook?

Hoe dan ook, een boek verzinnen, zoals het hoort, kan ik niet, ik heb het vroeger wel geprobeerd maar het is me te stressy, terwijl vertalen voor mij de ultieme vorm van ontspanning is. Fictie schrijven doe ik wel, maar fictie is het nauwelijks te noemen – wat misschien ook niet hoeft als je zeventig jaar avontuur in je ransel draagt. Maar ik vind het wel knap als iemand anders dat wel kan en ook nog in een vorm waar ik van geniet.

Mijn brief is veel te lang geworden, zoals Achmatova aan het eind van elk van haar – zeer schaarse – brieven schreef.

Nogmaals dank en ga zo voort en doe je best, Hb.

PS Drukfout op p. 101, 1e alinea: begon te bewegen.

 

Jaspers route

17 augustus 2022

 

De route die Jasper in zijn Caddy rijdt, kan hooguit bij benadering worden gereconstrueerd. Het vervolg (Autun-Vielha) kan veel nauwkeuriger in kaart worden gebracht. Bij dezen.

Op verzoek van een bijzonder aandachtige lezer heb ik Jaspers fietsroute nauwkeurig ingetekend op Google maps. In twee delen: Autun → Le Lioran en Le Lioran → Vielha. De etappeplaatsen zijn met een sterretje aangegeven. Klik op de kaartjes om in Google Maps te kunnen inzoomen op de route. (NB De aangegeven tijden kloppen niet.)

Van Autun naar Le Lioran

Van Le Lioran naar Vielha

 

Ongepubliceerd fragment: Korte geschiedenis van de fotografie

12 augustus 2022

 

Een ongepubliceerd fragment uit mijn Ramkoers-dossier. Ik heb deze lange passage niet in het boek opgenomen, omdat hij nauwelijks iets toevoegt en eerder als stoorzender werkt in een boek dat zélf al een stoorzender is.

De fotografie is niet uitgevonden door Archimedes maar het had zomaar gekund, want het principe van de camera obscura was al bij de oude Grieken bekend, en laten we ook de oude Chinezen niet vergeten. Er zijn zelfs serieuze stemmen die beweren dat de prehistorische mens al van camera obscura-achtige technieken gebruikmaakte om de werkelijkheid op de wanden van zijn grotwoning te projecteren, dat schildert een stuk makkelijker. Hoe die werkelijkheid dan in de grot kwam zeggen de stemmen er niet bij, de spiegel was volgens mij nog niet uitgevonden, maar hoe dan ook moge duidelijk zijn dat de schuifjes die Jasper heen en weer schoof een lange voorgeschiedenis hadden. Leonardo da Vinci, wie anders, beschrijft als eerste heel helder (zij het in spiegelschrift en in het Latijn) hoe het beeld van een zonverlichte gevel door een klein gaatje in een beschaduwde muur ertegenover kan reizen om in een donkere kamer (camera obscura) dan verkleind, op zijn kop en spiegelbeeldig weer te verschijnen op een wit scherm dat daar is klaargezet. Hoe kleiner het gaatje, hoe scherper het beeld, wat logisch is want bij een gat ter grootte van een raam zien we het verschijnsel niet meer. Een raam heeft dan wel weer het voordeel dat er véél licht doorheen valt, en daarmee hebben we meteen een van de basisprincipes van de fotografie te pakken: helderheid en scherpte zijn omgekeerd evenredig, een toename van het een leidt tot de afname van het ander. Wat Leonardo helaas niet beschrijft en de wijsneuzen ongetwijfeld al wel op het puntje van hun tong hebben liggen, is het betreurenswaardige feit dat diffractie heet: bij een kleinere opening wordt het geprojecteerde beeld niet alleen scherper, er zijn ook minder lichtstralen die gewoon ongehinderd rechtdoor kunnen en dus besluiten ze maar af te buigen, zoals dat ook bij een goede plantenspuit gebeurt als je de opening verkleint. Resultaat: de scherptewinst van de kleine opening wordt volledig tenietgedaan of nog erger. Het vinden van de gulden middenweg is dus het devies, als scherpte tenminste je ding is en zo heel vanzelfsprekend is dat niet, de wereld staat vaak al veel te scherp op onze netvliezen getekend; gelukkig kunnen we altijd onze bril nog afzetten. Het oog is trouwens zelf ook weer een camera obscura, met twee bijzondere eigenschappen: we kunnen de grootte van de opening variëren om de hoeveelheid doorgelaten licht te regelen, en er zit voor die opening een bol flapje transparante materie dat beeldhoek van de invallende lichtbundel genoeg verwijdt om bijvoorbeeld een naburige mammoet te zien aankomen voordat het te laat is. Maar ook echte camerae obscurae (camera obscura’s?) kunnen natuurlijk van die twee bijzondere eigenschappen worden voorzien, en dat deed de mens dus ook algauw, inventief als hij is. Het ene principe noemde hij diafragma, het andere lens, waarmee de eerste stap van de camera obscura naar de camera tout court een feit was. Het enige wat er nog aan ontbrak was een manier om het geprojecteerde beeld niet alleen te zien (of zelfs met een spiegel op een glasplaat te projecteren zodat je het kon overtrekken, zoals bijvoorbeeld Johannes Vermeer graag deed om de show te stelen met zijn perspectivische hoogstandjes), maar ook op te vangen om het te bewaren. De eerste pogingen daartoe waren om eerlijk te zijn nogal lachwekkend. Neem nu Nicéphore Niépce, een man met een naam als van een romanpersonage, die in 1822 een stof ontdekte met een al even romaneske naam, Syrisch asfalt, die weliswaar oplost in terpentijn, maar na lange belichting niet meer, zodat het belichte beeld voor de eeuwigheid kan worden bewaard: tel uit uw winst, behalve dan dat lange belichting in dit geval ook écht lange belichting betekent, ergens tussen de acht en de twintig uur, veel te lang dus om ook maar te durven denken aan het portretteren van mensen, laat staan poedels. Met een nieuwe uitvinding uit 1837 van Niépces voormalige medewerker Louis Daguerre, die met verzilverde koperplaten, jodiumdampen en kwikdampen een procedé bedacht dat hij in alle bescheidenheid daguerrotypie noemde, werd die belichtingstijd gereduceerd tot bruikbare proporties (voor mensen, niet voor poedels), maar de opname was meteen ook de enige afdruk: reproductie was onmogelijk, de kosten waren bovendien extreem hoog dus je kon als arme Fransman toch beter een schilderij van jezelf laten maken. Engelsen hadden het wat dat betreft veel beter getroffen, want al in 1839 vond William Fox Talbot een concurrerend procedé uit, vanzelfsprekend talbotypie genoemd, waarmee vanaf een papieren negatief meerdere positieve afdrukken konden worden gemaakt. Het bewijst wel hoe fnuikend splendid isolation voor de Groot-Bretonse export is, want het duurde tot maar liefst omstreeks 1860 voordat de talbotypie ook op het vasteland voet aan wal had gekregen en de daguerrotypie voorgoed naar de giftige nevelen van het verleden had verwezen. Waarna natuurlijk ook de Verenigde Staten zich ermee moesten gaan bemoeien in de persoon van een zekere George Eastman, die na eerst te hebben gemikt op een tamelijk elitair systeem van camera’s met droge gelatineplaten in 1888 de rechten kocht op een uitvinding van David Henderson Houston: de Nodak, een camera met een celluloid filmrolletje. Nodak, dat klinkt niet, we noemen het Kodak: ‘you press the button, we do the rest’. Bijna honderd jaar en miljarden filmrolletjes later bedacht datzelfde Kodak dat het allemaal nog veel democratischer kon door het filmpje en het ‘we do the rest’ maar gewoon weg te laten, iedereen moest zijn eigen beelden in zijn eigen privédoosje kunnen opvangen en thuis kunnen bewerken en bewaren. Digitale fotografie was een feit.

 

Fragment: Pétain-Putain-Poetin

23 maart 2022

 

Een fragment uit Ramkoers. De hoofdpersoon, fotograaf Jasper van den Berg, komt in het voetspoor van Julius Caesar door de Franse stad Vichy ('Veni, vidi, Vichy'), waarvan de beladen geschiedenis de verteller tot een lange mijmering aanzet. Ook een bekende Russische seriemoordenaar komt even om de hoek kijken.

Wie Vichy zegt, zegt oorlog zegt bezetting zegt Vrije Zone zegt Pétain. Maarschalk Pétain. Of laat ik hem in navolging van Lydie Salvayre maar gewoon Putain noemen, want hij bood zichzelf en Frankrijk veil aan Hitler-Duitsland (gezellig handjeschudden met de Führer in Montoire in het bijzijn van Generalfeldmarschall Wilhelm Keitel en Reichsminister des Auswärtigen Joachim von Ribbentrop, beide in Neurenberg tot de strop veroordeeld). De inmiddels vierentachtigjarige held van Verdun formuleerde het zelf overigens net iets anders in zijn roemruchte radiotoespraak van 17 juni 1940, de dag nadat hij de plek van Paul Reynaud als eerste minister had ingepikt: ‘Ik stel Frankrijk mijn persoon ter beschikking om haar rampspoed te verzachten.’ Zo gezegd, zo gedaan: 1) ondertekening van de wapenstilstand met de Duitsers in dezelfde treincoupé in Rothondes waar de wapenstilstand van 11 november 1918 was getekend; 2) verhuizing van de hoofdstad van het ‘vrije’ deel van Frankrijk naar Vichy, dat beschikte over veel leegstaande luxehotels vanwege de thermen, een hypermoderne telefooncentrale en een goede verbinding met Parijs; 3) overdracht door het Franse parlement (met 80 stemmen tegen en 569 voor) van de volledige constitutionele macht aan Putain; 4) afzetting, meteen de dag erna, van president Lebrun door diezelfde Putain, die zichzelf ook maar meteen tot staatshoofd kroonde, à la Poetin; 5) cultus rond de persoon van Putain, die zichzelf liet afbeelden als een soort Messiasfiguur; 6) ‘Nationale Revolutie’ tegen de nalatenschap van de Franse Revolutie van 1789, vervanging van de leus ‘Vrijheid-gelijkheid-broederschap’ door ‘Arbeid-gezin-vaderland’; 7) oproep van Putain tot samenwerking (‘collaboration’) met de Duitsers; 8) instelling van een Jodenstatuut naar Duits voorbeeld, arrestatie en deportatie van alle niet-Franse Joden (want verschil moet er zijn); 9) aanstelling van trawanten als Pierre Laval (eerste minister), Maurice Papon (secretaris-generaal voor deportatiezaken) en René Bousquet (politiechef), die het allemaal nicht gewusst hadden; 10) begin van de deportatie van de Franse Joden – hoewel Putain en kornuiten daar niet speciaal op uit waren, ze hadden tenslotte ook geprotesteerd tegen de deportatie van de Joden uit Elzas-Lotharingen (maar eerlijk is eerlijk, dat gebied was door Duitsland geannexeerd).

Is het niet wat gemakzuchtig om een held uit de Eerste Wereldoorlog hier zo omlaag te halen, op veilige afstand van het gebeurde en met het morele gelijk in elk geval tijdelijk aan je zijde? Ja, dat is het zeker. Het overgrote deel van de Fransen was dolblij toen de oude maarschalk Frankrijk zijn persoon ter beschikking stelde, dus de kans is levensgroot dat wij onder dezelfde omstandigheden precies zo zouden hebben gereageerd. Maar ja, er is altijd dat ene dorpje dat dapper weerstand blijft bieden aan de overheerser met zijn arische herrenmoral, dus zeker weten doe je het nooit. Misschien is de mate van immuniteit voor de recentste rechts-nationalistische luchtspiegelingen en complottheorieën een goede graadmeter?

 

Interview met Sander Becker

26 december 2021

 

Sander Becker interviewde me eind mei voor Trouw. Hij zette Ramkoers in december in zijn top-drie van 2021. Ik neem het interview hier over met zijn toestemming.

Als je hoort dat de aarde over veertig dagen vergaat door een inslaande asteroïde, wat doe je dan? Houellebecq-vertaler Martin de Haan schreef er een doltragisch boek over. ‘Ik ben allergisch voor realistische romans waarbij de schrijver net doet alsof de verteller niet bestaat.’

Fotograaf Jasper van den Berg (37) leidt een ingedut leventje. Hij fotografeert opgedirkte poedels voor een jaarkalender, maar ook – meestal lelijke – baby’s en fruit. Geen opdrachten waar hij graag zijn bed voor uit komt. Zuchtend en met veel koffie sleept hij zich de dagen door. Maar dan gebeurt het: een reusachtige ruimterots koerst met een noodvaart op de aarde af en dreigt binnen veertig dagen alles te verpletteren. Wat nu?

De bedeesde Jasper, een literaire antiheld bij uitstek, doet eerst alsof er niets aan de hand is. Hij schaaft gewoon door aan zijn poedelfoto’s. Het zal wel overwaaien, denkt hij. Maar als de inslag vrijwel onvermijdelijk wordt, komt hij toch in beweging. Hij laat alles uit zijn handen vallen en gaat vanuit Amsterdam op reis naar het Spaanse dorp Vielha, waar zijn vriendin woont. Er volgt een doldwaze reis vol verrassende ontmoetingen en bizarre hindernissen. De vraag is of hij zijn geliefde nog op tijd zal bereiken.

Ziedaar de plot van Ramkoers, de groteske, bijzonder geestige roman waarmee Martin de Haan (54) vandaag debuteert. De Haan is geen onbekende in de letteren. Hij is een gelauwerd vertaler van Franse literatuur, met name van Michel Houellebecq. Na vele jaren waagt hij nu de sprong naar zijn eerste eigen roman.

Een gelauwerd vertaler

Martin de Haan vertaalde Franse klassiekers als Jacques de fatalist en zijn meester van Diderot en Riskante relaties (Les Liaisons dangereuses) van Laclos. Daarnaast stortte hij zich op moderne schrijvers als Kundera, Echenoz en Houellebecq. Voor zijn vertaalwerk kreeg hij diverse prijzen.

Die stap is grotendeels te danken aan corona, vertelt De Haan via Skype vanuit zijn Franse woonplaats Autun in de regio Bourgondië. ‘Door de coronacrisis kon ik me niet meer concentreren op het vertaalwerk,’ zegt hij. ‘Acht uur per dag achter zo’n scherm, permanente topsport, het lukte me niet meer. Als vanzelf ben ik toen andere dingen gaan doen: schrijven en fotograferen. Schrijven gaat veel soepeler dan vertalen, bij mij in elk geval; je laat je fantasie de vrije loop, alles stroomt. Binnen vijf à zes maanden was het boek af.’

In deze crisistijd is het verleidelijk om de ruimterots te zien als een metafoor voor corona; beide creëren immers een apocalyptische sfeer. Maar zo heeft De Haan het niet bedoeld. Sterker nog, hij bedacht zijn plot al vijf jaar geleden, ver voor de pandemie.

Wel heeft hij alsnog allerlei grappige verwijzingen naar corona in zijn boek gestopt. Zo zijn er inwoners die wc-papier hamsteren. En er komt een Californische dansleraar voorbij die de dreiging van de asteroïde afdoet als nepnieuws, bedoeld om burgers bang te maken.

Ook het liefdeslijntje in het boek stamt uit de coronawerkelijkheid, want net als Jasper heeft De Haan een langeafstandsrelatie: zijn vriendin, inmiddels zijn echtgenote, woont in Nederland. ‘We waren van elkaar gescheiden door de eerste lockdown,’ vertelt de schrijver. ‘Dan ga je nadenken. In juni zijn we getrouwd. Dat waren we toch al van plan, maar nu hebben we tenminste een geldige reden om de grens over te mogen.’

Het raamwerk van een roman is slechts een excuus

Het liefdesverhaal van Jasper is overigens maar bijzaak, benadrukt de auteur. Net als dat hele gedoe met die asteroïde en de rest van de plot. Een roman heeft nu eenmaal een raamwerk nodig, zegt hij, maar eigenlijk vormt dat slechts een excuus voor waar het hem echt om gaat: het spel met de lezer, en niet te vergeten de quasi-diepzinnige, vaak kolderieke bespiegelingen tussen de bedrijven door.

‘Stijl is alles, poedels zijn niets,’ mijmert de ik-verteller bijvoorbeeld als Jasper zit te fotoshoppen. En na een heftige geweldscène waarin er een slachtoffer valt, steekt diezelfde ik-verteller een gortdroog commentaar af dat begint met: ‘Laten we overigens niet te snel voorbijgaan aan de morele kant van de hele affaire’.

We hebben kortom te maken met een schrijver die zijn verhaal opzettelijk ondermijnt. Vandaar de geraffineerde vertelstructuur met naast de hoofdpersoon die overkoepelende ik-verteller. De Haan laat de gedachtestromen van de hoofdpersoon en de verteller steeds in elkaar overlopen, zodat je je als lezer geregeld afvraagt wie er nou aan het woord is. Of hoor je eigenlijk de stem van de schrijver zelf? Ambiguïteit, De Haan smult ervan.

Via Skype zegt hij het zo: ‘Ik ben allergisch voor realistische romans waarbij de schrijver net doet alsof de verteller niet bestaat. We moeten maar geloven wat er geschreven staat, en dat is het dan. Ik wilde iets blootleggen wat voor alle romans geldt, namelijk dat er een vertelinstantie is die speelt met de lezer.’

De eigengereide ik-verteller doet denken aan een soortgelijke stem in Jacques de fatalist en zijn meester (1796) van Denis Diderot. De Haan vertaalde dit geniale Franse boek in 2005. Het is een ‘antiroman’ waarin de verteller het verhaal voortdurend saboteert met vervreemdend commentaar. Neem alleen al de openingszinnen, waarin we kennismaken met de meester en de knecht: ‘Hoe hadden ze elkaar ontmoet? Bij toeval, zoals iedereen. Hoe heetten ze? Wat gaat u dat aan? Waar kwamen ze vandaan? Van de dichtstbijzijnde plaats. Waar gingen ze heen? Weet een mens waar hij heen gaat?’

De Haan heeft zich door Jacques de fatalist laten beïnvloeden, maar zijn inspiratie is veel breder, legt hij uit. ‘In De kunst van de roman schrijft Milan Kundera dat de roman tot en met de achttiende eeuw draaide om lichtheid en speelsheid. Pas in de negentiende eeuw werd het zwaar, met de opkomst van het realisme. Kundera grijpt in zijn eigen romans terug naar de achttiende-eeuwse vertelvormen. Modernisten als Kafka en Joyce deden dat ook. En ik dus ook. Ik val in slaap bij het realistische model. Geef mij maar speelse literatuur waarin de schrijver meteen erkent dat hij niet de werkelijkheid voorschotelt maar een kunstwerk.’

Een andere belangrijke inspirator is uiteraard Houellebecq. De Haan vertaalde maar liefst tien boeken van de Franse ironicus. ‘Ik heb in totaal een jaar of vier in zijn woorden geleefd,’ zegt hij. ‘Ik nam ze zelfs mee naar bed, ik droomde erover. Als ik onbewust iets van Houellebecq heb overgenomen, is het zijn ambiguïteit.’

Houellebecq is een meester in het onnodig gedetailleerd beschrijven van voorwerpen, vaak met een ironisch, vervreemdend effect. De Haan doet dat in Ramkoers ook geregeld, bijvoorbeeld met een fiets, een fototoestel en een paracetamolletje, compleet met chemische structuurformule. ‘Ik denk dan niet: laat ik even een Houellebecqje doen,’ zegt De Haan. ‘Het is meer zo dat ik lang in zijn werk heb gezeten en het heb geïncorporeerd. Het resoneert mee met mijn eigen literaire voorkeuren. Want waarom heb ik Houellebecq en Diderot vertaald? Omdat ik sowieso al dicht bij hun stijl stond.’

Vol met running gags

Los van de externe invloeden is Ramkoers natuurlijk in de eerste plaats een ‘De Haan’. Een boek dat ondanks de apocalyptische dreiging bijzonder luchtig is gebleven. Het staat vol met running gags, zoals terugkerende clichés over ‘la France profonde’ waar de hoofdpersoon doorheen reist.

‘Ik hou mijn oren en ogen continu open voor wat er in de tekst gebeurt,’ zegt De Haan. ‘Als het even kan, grijp ik de mogelijkheid aan voor zo’n running gag of een uitweiding. Dat komt misschien voort uit mijn vertaalwerk. Als vertaler ben je gespitst op herhalingen die je wilt voorkómen of juist benutten. Daar doe ik als schrijver mijn voordeel mee.’

Het auteurschap smaakt naar meer, zegt De Haan. Liefst in combinatie met vertalen. En met fotograferen, zijn derde talent (zie kader). ‘Mijn ideaal is om die bezigheden af te wisselen, zodat ze elkaar levendig houden. Ik heb volop ideeën voor een nieuw boek. Dat zal ongeveer dezelfde stijl hebben als Ramkoers. Mijn ingang tot de wereld verloopt nu eenmaal via het groteske.’

 

 

Tien vragen aan de debutant

25 december 2021

 

Boekenpost stelde me in augustus per e-mail tien vragen over Ramkoers, in de rubriek 'Het debuut'. Les voilà, plus de antwoorden natuurlijk.

1. Wanneer dacht je: ik ga een boek schrijven?
Een jaar of veertig geleden. Het duurde alleen even voor het er was.

2. Waarom móést dit boek er komen?
Ik had het idee al langer, maar tijdens de coronacrisis werd het schrijven ineens een acute behoefte, als vluchtgedrag én als poging iets te doen met het gegeven van een wereldwijde ramp die mij van mijn geliefde scheidde.

3. Heb je een groot voorbeeld? Wie heeft je het meest geïnspireerd?
Mijn grootste voorbeeld is ongetwijfeld Diderot, van wie ik de roman Jacques de fatalist heb vertaald. Zijn speelsheid is ongeëvenaard, en zijn nogal irritante verteller heeft veel te weinig navolging gekregen. Maar ik ben vast ook beïnvloed door andere schrijvers in wier werk ik als hun vertaler langere tijd heb gewoond: Milan Kundera, Michel Houellebecq, Marcel Proust, Jean Echenoz, Régis Jauffret... Een grote inspiratiebron is ook het werk van Kafka, met zijn unieke combinatie van realistische en groteske elementen.

4. Hoe verliep het schrijfproces? Wat is er aangepast vergeleken bij je eerste opzet?
Ik wist voor ik begon dat ik een boek van precies 100 stukjes van elk 1000 woorden wilde schrijven, en heb daar helemaal in het begin een indeling voor gemaakt, die tijdens het schrijven nauwelijks is veranderd. Schrijven met zo’n vormbeperking geeft je paradoxaal genoeg veel vrijheid: het kader staat vast, daarbinnen is alles toegestaan. Vaak kwam ik op die manier in de buurt van wat de surrealisten ‘automatisch schrijven’ noemden, mijn pen (want ik schrijf op papier) ging zijn eigen weg en ik volgde gedwee. En als ik vastliep, maakte ik de reden van het vastlopen gewoon tot onderwerp van het stukje dat ik schreef: kermisherrie buiten op straat, boosheid om vermeend onrecht, gebrek aan inspiratie. Schrijven maakt niet gelukkig, maar soms scheelt het niet veel.

5. In hoeverre putte je voor het boek uit je eigen leven en ervaringen?
Ik gebruik schaamteloos anekdotes uit mijn eigen leven, al dan niet vervormd. Het maakt voor mij niet uit of iets waargebeurd of verzonnen is: als het maar werkt. Alles wordt door dezelfde mangel gehaald.

6. Heb je contact met andere schrijvers?
Ja, veel, door mijn werk als literair vertaler.

7. Was het moeilijk om een uitgever te vinden?
Nee. Ik publiceer al vijfentwintig jaar als vertaler bij De Arbeiderspers, en ook mijn essaybundel over Houellebecq is daar verschenen.

8. Ben je tevreden met de ontvangst?
Ja en nee. De meeste privéreacties van bekenden en onbekenden zijn erg leuk en positief, maar in de media is het boek nog niet echt opgepikt, afgezien van een mooi interview in Trouw. Misschien wekt het onderwerp wel verkeerde verwachtingen: een roman over een asteroïde die de aarde dreigt te gaan raken, dat belooft literair weinig goeds. Maar ik heb natuurlijk niet voor niets zo’n vrij absurd, onliterair onderwerp gekozen. Het geeft me veel ruimte om te spelen met de romanconventies. Daarom is het ondanks de flow waarmee het wordt verteld een verraderlijk boek. De diepte zit aan de oppervlakte, je kunt die makkelijk over het hoofd zien als je niet aandachtig leest.

9. Ben je al met een tweede boek bezig?
Ik maak aantekeningen en heb een plan, maar ben nog niet echt aan het schrijven. Het grootste probleem is dat ik er moeilijk tijd voor kan vrijmaken. Maar de titel staat al luid en duidelijk op papier: Babel.

10. Wat vind je de mooiste zin uit je boek, en waarom?
Ik denk niet graag in termen van mooiste of beste, alle zinnen in Ramkoers doen wat ze moeten doen. Maar ik heb erg veel plezier gehad in het componeren van de extreem lange slotzin van het tweede boekdeel, een ode aan Proust, waarin het einddoel van het boek én van de zin eindeloos lang wordt uitgesteld voordat dan toch het verlossende woord klinkt: ‘overwinning’. Een overwinning die natuurlijk maar relatief is, want er is nog altijd die asteroïde op ramkoers.

 

Waarom Ramkoers?

24 oktober 2021

 

Waarom heb ik Ramkoers geschreven? Een poging tot opsomming van de redenen. Ook Wes Anderson komt nog even om de hoek kijken.

Annoesjka (mijn niet-Hannah) en ik hebben net The French Dispatch van Wes Anderson gezien. Een heerlijke snoepdoos vol taferelen en verhaaltjes, die me eraan herinnerde dat ik nog altijd een stukje wilde schrijven over de vraag: waarom Ramkoers? Waarom schrijft iemand zo'n raar boek? Ik probeer een korte opsomming van de redenen te geven, eigenlijk vooral om ze voor mezelf eens wat helderder op een rijtje te zien.

1. Omdat het plan al jaren in een laatje lag te verstoffen. Dat is geen reden om er ineens wel iets mee te doen, maar op gang gebracht door reden 2 bleek het project binnen de kortste keren een onstuitbare stoomwals.

2. Omdat ik me door de coronacrisis niet meer op mijn vertaalwerk (Manon Lescaut, een hondsmoeilijke 18de-eeuwse roman) kon concentreren, depressieverig werd en iets moest doen om mezelf overeind te houden. Fotograferen en schrijven, kortom: de grote crisis zien te 'vertalen' en sublimeren.

3. Omdat ik altijd al een boek wilde schrijven dat op 18de-eeuwse manier de draak zou steken met de 19de-eeuwse romanconventies waar ook het gros van de 21ste-eeuwse literatuur nog altijd op voortdobbert. Een boek waarin de gebruikelijke hiërarchie tussen hoofd- en bijzaken overhoop zou worden gehaald en waarin een groot, dramatisch thema niet zou worden gedragen, maar eerder ondergraven door de talloze contrapuntische motiefjes ('het echte leven'). Een boek ook waarin een tamelijk irritante verteller de ware hoofdrol zou spelen, niet zoals bij Diderots Jacques de fatalist als schrijver-demiurg aan wiens willekeur de lezer is overgeleverd, maar als toekijkende en oordelende instantie die uiteindelijk zelf niets anders is dan een personage. Een boek, tenslotte, waarin ik de zelfopgelegde vormbeperkingen van de Oulipo zou combineren met het 'automatisch schrijven' van de surrealisten: volledige vrijheid binnen een strak afgebakend kader.

4. Omdat ik wilde schrijven over iets wat me erg bezighoudt: de sociale ruimte die mensen innemen, de mate waarin en manier waarop ze zich laten gelden, de verhouding tussen wil en daad, acceptatie en verzet. Mijn hoofdpersoon, de introverte en afwachtende jonge fotograaf Jasper van den Berg, wordt door omstandigheden uit zijn cocon gedwongen en moet de wijde wereld tegemoet treden. Met welk resultaat? En hoe doen andere mensen het?

5. Omdat het gaandeweg steeds leuker werd. Ik heb mezelf nog nooit zoveel plezier bezorgd als tijdens het schrijven van Ramkoers.

Toen Sander Becker me na zijn mooie interview in Trouw vroeg door welke regisseur mijn roman moest worden verfilmd, aarzelde ik geen moment. Wes Anderson is al sinds The Grand Budapest Hotel (en met terugwerkende kracht sinds Rushmore) de filmmaker met wie ik me het meest verwant voel. Stripachtige montagetechnieken, vervormende groothoeklenzen, frontale perspectieven, bordkartonnen decors, groteske dialogen, het dient allemaal hetzelfde doel, namelijk volstrekt duidelijk maken dat de kaart (de kunst) niet het gebied (de werkelijkheid) is, sterker nog: de kaart is veel interessanter dan het gebied. En daarmee zijn we weer terug bij Houellebecq.

 

Fragment: Bij baby Bob

1 september 2021

 

Een fragment uit Ramkoers. De hoofdpersoon, fotograaf Jasper van den Berg, gaat op bezoek bij een bevriend advocatenstel om hun baby te portretteren.

Grappig genoeg had ik een tijdje na verschijning van Ramkoers een leuk gesprek met een bevriende advocaat, die mijn boek met zeer veel plezier had gelezen en mijn schrijverschap prees volgens precies hetzelfde schema als Jurgen hier toepast: een vertaler bootst alleen maar na, een fotograaf eigenlijk ook, maar een schrijver, die is pas echt creatief!

Toen ik werd geïnterviewd in Nieuwsweekend op NPO Radio 1 (5 juni 2021) vroeg presentatrice Mieke van der Weij zich af of ik met de passage over het zonder naamsvermelding voorlezen van een vertaling niet verwees naar iets wat in haar eigen programma was gebeurd. Niet bewust, in elk geval, maar ik had inderdaad wel ergens een klepel horen luiden...

De Oostenrijkse zaak-Werner Richter heb ik niet verzonnen.

Jurgen was nog niet thuis en baby Bob sliep nog, dus Jasper en Annet zaten samen aan de keukentafel om de tijd te doden. Ze kenden elkaar niet heel goed, Jasper had vooral contact met Jurgen, maar voor de babyshoot had Annet het initiatief naar zich toe getrokken. Het gesprek bleef voorlopig dan ook aan de oppervlakte drijven, wat Jasper niet zo heel erg vond, hij had niet heel veel behoefte om over zijn weekendje Zeeland of zijn relatie met Hannah te vertellen. Sowieso was Annet het grootste deel van de tijd aan het woord, het was natuurlijk Bob voor en Bob na, zij het dan op zo’n manier dat het ook over een nieuwe surfplank of spelcomputer had kunnen gaan: het enthousiasme was onmiskenbaar, maar echt persoonlijk werd het niet. En misschien worden gesprekken over baby’s ook wel nooit echt persoonlijk, alle ouders vinden hun eigen exemplaar tenslotte het mooist en het liefst en het leukst en nemen voetstoots aan dat ook de bezoeker dat zal vinden, dus er is geen enkele reden om dieper op de zaak in te gaan, voors en tegens af te wegen, meningen uit te wisselen of zelfs ruzie te maken omdat die meningen te ver uit elkaar liggen. Persoonlijke gesprekken die zich beperken tot een eenrichtingsverkeer van onbetwistbaar geachte waarheden zijn niet persoonlijk en ook geen gesprekken.

‘We wisten meteen dat we hem Bob wilden noemen,’ zei Annet. ‘Alle ouders hopen natuurlijk dat hun kind een heel bijzonder iemand zal worden, maar als ze daar alvast op vooruitlopen door de baby ook meteen een bijzondere, meestal totaal idiote naam te geven, halen ze doel en middel door elkaar. Sorry dat ik het zo zeg, maar ik ben advocaat hè.’ Vandaar dus dat Jurgen en zij hadden gekozen voor een zo normaal mogelijke, oer-Hollandse naam, ‘Bob’ klonk gewoon vrolijk en gaf niet het signaal af dat de persoon die zo genoemd was later vast wel minister-president zou worden. Hoewel dat natuurlijk ook niet mocht worden uitgesloten. ‘Bob is zo’n bijzondere baby! Hij is in alles heel vroeg, en zo slim!’ Hij zou trouwens zo wel wakker worden, hij sliep ook veel minder dan de gemiddelde leeftijdsgenoot, altijd bezig met observeren, altijd alert. ‘Misschien wordt hij later wel fotograaf,’ opperde Jasper, maar dat leek Annet niet echt waarschijnlijk. ‘Ik denk dat hij gewoon advocaat wordt,’ zei ze.

Daar was Jurgen, die op dat moment binnenkwam (‘Dag schat! Hallo Jasper!’), het niet helemaal mee eens. ‘Ik hoop dat het joch lekker zijn eigen weg zoekt,’ zei hij. ‘Ik zie hem wel kunstenaar of schrijver worden, je ziet aan zijn ogen dat hij iets speciaals, iets creatiefs heeft. Fotograaf, dat denk ik niet – waarmee ik geen kwaad woord over jouw beroep wil zeggen, Jasper, ik weet ook wel dat een mechanisch geproduceerde weergave van de wereld nog heel goed een stempel van oorspronkelijkheid kan dragen, het auteursrecht is voor fotografen een groot goed. Maar nou ja, ik denk dat de creativiteit bij Bob wat verder zal gaan, hij heeft iets totaal compromisloos in alles wat hij doet.’

Annet keek hem met lichte minachting aan, kennelijk was dit een terugkerend strijdpunt tussen de twee. Maar ze wist ook dat ze er nu beter niet te hard tegen in kon gaan, dat zou misschien een averechts effect op de babyshoot hebben, dus ze stelde voor snel even wat te eten voordat Bob wakker werd. De gazpacho stond al koud en hoefde alleen maar te worden opgediend, hij was goed te eten en Jurgen vertelde intussen uitgebreid over een erg interessante zaak waarbij hij betrokken was, die na jaren van juridisch touwtrekken nu bij de Hoge Raad was beland. Het betrof een vertaald Japans boek waaruit op de radio een flinke lap was voorgelezen zonder vermelding van de naam van de vertaler, de omroep vond dat niet nodig en betoogde dat de andere leden van het productieteam toch ook niet met naam en toenaam werden genoemd. Maar de rechter had dat argument van tafel geveegd, de vertaler was op grond van de Berner Conventie immers de auteur van de Nederlandse tekst en hoorde als zodanig bij elk citaat uit het Nederlandse boek te worden vermeld, voor het voorlezen had bovendien ook toestemming moeten worden gevraagd, dus er was een flinke schadevergoeding toegekend. Enfin, hoger beroep, zelfde uitslag, cassatie bij de Hoge Raad en dat speelde nu allemaal, Jurgen verwachtte in navolging van een vergelijkbaar Oostenrijks geval (‘Ah, de zaak-Werner Richter,’ zei Annet) een ondubbelzinnige overwinning, waarna andere partijen het voortaan wel uit hun hoofd zouden laten om ooit nog uit vertalingen te citeren zonder vermelding van álle auteurs inclusief de vertaler. Onder ons gezegd en gezwegen vond hij het overigens allemaal nogal over de top, juridisch klopte het wel maar een vertaler doet toch in feite weinig meer dan een tekst overtypen in een andere taal, ‘het is een beetje zoals fotografie, sorry dat ik het zeg maar het is natuurlijk wel zo. Het origineel is er al, je hoeft het enkel nog te reproduceren.’

Gelukkig begon het origineel van die middag op dat moment te huilen. Annet ging baby Bob snel halen en kwam stralend van trots met hem naar beneden, Jasper had nog nooit zoiets lelijks gezien of in elk geval gefotografeerd, afgezien misschien van een kwal op het strand in Portugal maar die had tenminste nog prachtige kleuren, hij voelde de moed meteen in zijn schoenen zinken en de wanhoop omhoogkomen. De vraag was hier niet welke aanpak het meest flatterend was, maar hoe de schade het best mogelijk kon worden beperkt. Head, full body, driekwart? Jasper had geen flauw idee.

‘Hij ruikt ook zo lekker hè,’ zei Annet.

 

Denis Diderot: schrijver voor de toekomst

8 augustus 2021

 

Jacques de fatalist en zijn meester van Denis Diderot was lange tijd mijn lievelingsroman. Dat is te zien in Ramkoers. In dit stuk, oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, probeer ik een tipje van de sluier op te lichten. 

U kunt de roman van Diderot hier bestellen als e-boek. Lees ook dit interview met Sander Becker in Trouw, die de relatie met Diderot als eerste opmerkte.

 

 

Consult bij de Nederlandse oogarts in de Bourgondische provinciestad Autun (waar de Tour de France laatst nog doorheen kwam). Met grote moeite ontcijfer ik de allerkleinste lettertjes van de leestest, een fragment over de liefde, en daaronder de auteur: Diderot. ‘Die heb ik vertaald!’ roep ik tegen de assistente. Zij: ‘Echt waar? Dat moet vreselijk zijn geweest!’

Denis Diderot (1713-1784) is een schrijver die alle Franse kinderen in de loop van hun schoolloopbaan wel een paar keer tegenkomen. Eerst als hoofdredacteur van de beroemde Encyclopédie, dan als vierde Verlichtingsdenker in het rijtje Montesquieu, Voltaire en Rousseau (zij het op ruime afstand van de Grote Drie), en met een beetje geluk ook nog een keer tijdens de literatuurles, want ‘behalve encyclopedist en filosoof was Diderot ook romancier’, weet elke enigszins literair onderlegde Fransman. Maar ook de Grote Drie schreven romans en novellen, dus zo heel bijzonder was dat niet.

Diderot heeft de schijn een beetje tegen. Oud en dus saai, en nog eens extra saai omdat hij zich een groot deel van zijn leven bezighield met zoiets slaapverwekkends als een encyclopedie. Fransen lezen weliswaar veel meer dan Nederlanders, en zelfs klassieken doen het nog relatief goed (het geschreven Frans is de laatste paar eeuwen nauwelijks veranderd), maar Diderot heeft nooit de populariteit gekend van grote 19de-eeuwers als Balzac, Stendhal, Flaubert en Zola.

Milan Kundera, de Frans-Tsjechische schrijver die zelf een ode aan Diderot schreef in de vorm van een toneelbewerking van een van diens romans, Jacques de fatalist, geeft een interessante verklaring voor dat feit. Volgens hem valt de geschiedenis van de romankunst in twee ‘speelhelften’ uiteen en worden onze huidige opvattingen van literatuur nog altijd grotendeels bepaald door de tweede speelhelft, de combinatie van romantiek en realisme. De lichtheid en vrijheid van de eerste helft, met schrijvers als Cervantes, Rabelais, Sterne en Diderot, vlamt alleen heel af en toe nog op in modernistische, experimentele romans.

Of Kundera nu gelijk heeft of niet, je kunt in ieder geval wel zeggen dat veel romans van vóór 1800 ons bevreemden. Het is alsof de schrijvers hun eigen werk niet helemaal serieus nemen, en waarschijnlijk klopt dat ook wel: de roman was tot de 19de eeuw geen serieus literair genre zoals poëzie en toneel, maar vooral een vorm van vermaak. Voltaire genoot in zijn eigen tijd een popsterachtige roem als tragediedichter, en zou nooit hebben geloofd dat ruim twee eeuwen later alleen een paar van zijn novellen nog worden gelezen.

Maar bij Diderot ligt het anders. Tijdens zijn leven genoot hij als filosoof – ‘de Filosoof’, zoals hij werd genoemd – en encyclopedist weliswaar grote bekendheid, zozeer zelfs dat tsarina Catherina de Grote hem inhuurde als klankbord, maar eigen boeken publiceerde hij nauwelijks. Niet omdat hij ze niet schreef, maar omdat hij ze in zijn bureauladen bewaarde voor toekomstige generaties, in de hoop dat die er meer van zouden begrijpen dan zijn tijdgenoten. Met als bijkomend voordeel dat hij er op die manier aan kon blijven schaven – en dat hij ze buiten het bereik van de strenge censuur kon houden.

Het levert een ietwat paradoxale situatie op: Diderots belangrijkste werken, het filosofische drieluik De droom van d’Alembert en de romans Jacques de fatalist en zijn meester en De neef van Rameau, zijn pas ruim na zijn dood ontdekt en gepubliceerd, in een tijd (de 19de eeuw) die zijn 18de-eeuwse manier van denken en schrijven niet bijzonder welgezind was. Ja, hij had succes in Duitsland (Goethe vertaalde hem, Hegel en Marx lieten zich door hem inspireren), maar in eigen land kwam de grote erkenning pas echt op gang in de 20e eeuw.

Hij werd een echte writer’s writer: Diderot, de modernist of zelfs postmodernist avant la lettre. En inderdaad kun je hem tegenwoordig moeilijk lezen zonder aan de grote experimentele teksten van de vorige eeuw te denken. Vooral Jacques de fatalist, een antiroman of metaroman zonder duidelijke verhaallijn, lijkt met zijn eigenwijze verteller (‘Het is zo makkelijk om verhalen te verzinnen!’) haast wel geschreven als ludieke ondermijning van de werkelijkheidsillusie waar de 19de-eeuwse roman naar streefde. Ook De neef van Rameau en De droom van d’Alembert doen in vrijwel alle opzichten een stuk moderner aan dan heel veel boeken die daarna zijn geschreven.

Vrijwel alle opzichten, op één na, zo blijkt uit moderne edities van die twee boeken, waaronder ook de nieuwe vertalingen van Hannie Vermeer-Pardoen die onlangs zijn uitgekomen. De hedendaagse lezer struikelt namelijk over de talloze verwijzingen naar de 18de-eeuwse werkelijkheid, die lekker doorlezen onmogelijk maken en de tekstbezorger of vertaler dwingen tot kunstgrepen – eindnoten vooral, met een eindeloos heen- en weergeblader tot gevolg.

Toch wordt de doorzettende lezer beloond. ‘De grote waarde, de grote originaliteit van Diderot is dat hij in het ernstige, ordelijke boekenproza de onstuimigheid, de springerigheid, de ietwat dolle wanorde, het rumoer en het koortsachtige leven van de conversatie heeft geïntroduceerd,’ schrijven de gebroeders Goncourt, en nergens gebeurt dat zo sterk als in deze twee teksten. Niet alleen omdat ze inderdaad een dialoogvorm hebben, maar vooral ook door de spontaniteit en totale ongekunsteldheid waarmee Diderot te werk gaat: het klassieke onderscheid tussen hoofd- en bijzaken verdwijnt volledig, alles wordt opgenomen in de maalstroom van de conversatie.

Het onderwerp van de twee teksten, voor zover dat al duidelijk is (De droom van d’Alembert gaat over een vrij duidelijk afgebakend, maar inmiddels bijzonder gedateerd filosofisch thema, De neef van Rameau over van alles en nog wat), doet er voor de hedendaagse lezer veel minder toe dan de manier van schrijven. Het is daarom jammer dat de vertaalster, die het materiaal bijzonder goed beheerst, heeft gekozen voor een sterk historiserende aanpak, zowel in de schrijfstijl als in de presentatie.

Maar ook daarbij geldt: de doorzetter wordt beloond, het leesplezier laat zich niet tegenhouden. Eigenlijk zou het werk van Diderot verplichte stof moeten zijn voor alle schrijvers in spe, niet alleen in Frankrijk maar ook in het buitenland. Al is het maar om de conventies en automatismen van de ‘tweede speelhelft’ van hun vanzelfsprekendheid te helpen ontdoen.

[Verschenen in de Volkskrant, 17 juli 2021, © Martin de Haan]